1. In de naam van Allah, de meest Barmhartige, de meest Genadevolle.
بِسۡمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحۡمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
2. Alle lof en dank komt Allah toe, de Heer der werelden.
ٱلۡحَمۡدُ لِلَّهِ رَبِّ ٱلۡعَٰلَمِينَ
3. De meest Barmhartige, de meest Genadevolle.
ٱلرَّحۡمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
4. De Heerser op de Dag des Oordeels.
مَٰلِكِ يَوۡمِ ٱلدِّينِ
5. U alleen aanbidden wij en U alleen vragen wij om hulp.
إِيَّاكَ نَعۡبُدُ وَإِيَّاكَ نَسۡتَعِينُ
6. Leid ons op het rechte pad.
ٱهۡدِنَا ٱلصِّرَٰطَ ٱلۡمُسۡتَقِيمَ
7. Het pad van degenen aan wie U gunsten hebt geschonken,
niet van degenen die Uw toorn hebben opgewekt
en niet van de dwalenden.
صِرَٰطَ ٱلَّذِينَ أَنۡعَمۡتَ عَلَيۡهِمۡ غَيۡرِ ٱلۡمَغۡضُوبِ عَلَيۡهِمۡ وَلَا ٱلضَّآلِّينَ
1. Zeg: Hij is Allah, de Enige.
قُلۡ هُوَ ٱللَّهُ أَحَدٌ
2. Allah is Zichzelf-genoegzaam, de Eeuwige.
ٱللَّهُ ٱلصَّمَدُ
3. Hij verwekte niet, noch werd Hij verwekt.
لَمۡ يَلِدۡ وَلَمۡ يُولَدۡ
4. En niemand is Hem in enig opzicht gelijk.
وَلَمۡ يَكُن لَّهُۥ كُفُوًا أَحَدُۢ
1. Zeg: “Ik zoek mijn toevlucht tot de Heer van de dageraad.”
قُلۡ أَعُوذُ بِرَبِّ ٱلۡفَلَقِ
2. Tegen het kwaad van wat Hij heeft geschapen.
مِن شَرِّ مَا خَلَقَ
3. En tegen het kwaad van de duisternis wanneer deze zich verspreidt.
وَمِن شَرِّ غَاسِقٍ إِذَا وَقَبَ
4. En tegen het kwaad van degenen die op knopen blazen (de magiërs).
وَمِن شَرِّ ٱلنَّفَّٰثَٰتِ فِي ٱلۡعُقَدِ
5. En tegen het kwaad van een jaloerse wanneer deze jaloers is.
وَمِن شَرِّ حَاسِدٍ إِذَا حَسَدَ
1. Zeg: “Ik zoek mijn toevlucht tot de Heer der mensen.
قُلۡ أَعُوذُ بِرَبِّ ٱلنَّاسِ
2. De Koning der mensen.
مَلِكِ ٱلنَّاسِ
3. De God der mensen.
إِلَٰهِ ٱلنَّاسِ
4. Tegen het kwaad van de wegsluipende fluisteraar ( d.w.z. Sjaitaan, deze trekt zich terug zodra Allah wordt herdacht).
مِن شَرِّ ٱلۡوَسۡوَاسِ ٱلۡخَنَّاسِ
5. Degene die in de harten van de mensheid fluistert.
ٱلَّذِي يُوَسۡوِسُ فِي صُدُورِ ٱلنَّاسِ
6. Vanuit het midden der Djinn en mensen.
مِنَ ٱلۡجِنَّةِ وَٱلنَّاسِ